De rook was het eerste wat ik zag. Niet de vlammen, maar een grijze sliert die uit het olievat kringelde alsof er net een kaars was gedoofd. Het rook naar verbrand hout en iets zoetigs – lak, pek, de lijm waarmee mijn vader de klankkast had dichtgezet. Ik zat op de stoeptegels achter het conservatorium, mijn knieën tegen de metalen laadklep gedrukt, en ik kon mijn handen niet stil krijgen. Het was half december, de gracht voor de hoofdingang lag er spiegelglad bij, en ik had alleen een dunne jas omdat mijn dikke trui nog in de kleedkamer hing. Sophie Molenaar en haar twee vriendinnen waren al naar binnen verdwenen, hun nerveuze lachjes stierven weg in de marmeren gang. Het was maandagmiddag, kwart voor vier. Over drie uur zou het winterconcert beginnen. Mijn solo.
Ik ben Lotte de Wit, zeventien, en ik zat op het Stedelijk Conservatorium van Utrecht met een volledige studiebeurs. Dat betekende dat ik elke ochtend om half zeven via het zijdeurtje binnenkwam om in de keuken ontbijtjes klaar te zetten – kaasbroodjes snijden, koffie zetten, de grote thermoskannen vullen – en dat ik daarna met koude vingers naar de repetitieruimte liep. Mijn vader had een meubelwerkplaats aan de Amsterdamsestraatweg, zo'n loods waar het altijd naar teakolie rook, en mijn jongere broertje Tim wachtte meestal bij de buren tot hij thuiskwam van zijn late dienst bij de Jumbo. We hadden een bovenwoning in Zuilen, een wijk waar de cv-ketel het minstens eens per winter begaf, en ik oefende mijn toonladders met afgeknipte vingerwanten omdat de huiskamer amper elf graden haalde. Mijn concertjurk had ik voor twaalf euro op de kop getikt in een tweedehandswinkel aan de Oudegracht – donkerblauw fluweel, een beetje versleten bij de oksels, maar het viel niet op als je stil bleef staan.
Mijn viool was nooit duur geweest. Mijn vader had hem zelf gebouwd, een heel jaar lang, uit een stuk esdoorn dat hij uit een negentiende-eeuwse linnenkast had gezaagd. Een oude vioolbouwer uit de buurt, meneer De Haan, had hem geholpen met de klankkast en de krul, en had hem ook geleerd hoe je de toets moest afwerken met schuurpapier van korrel driehonderd. De lak was niet perfect egaal, op de achterkant zat een kleine kras van een gesp, maar voor mij voelde het instrument als zijn handen. Als hij 's avonds laat thuiskwam, rook hij naar spaanders en lijm, en ik zag hem soms even langs de snaren strijken, zonder geluid te maken, gewoon om te voelen of alles nog klopte.
Sophie had die viool al eerder gezien. Bij de audities voor het winterensemble had ik de eerste plaats gehaald; zij de tweede. Sindsdien waren haar opmerkingen van "Wat knap dat je met zo'n instrument kunt spelen" overgegaan in hardop gefluister in de gang: "Zelfgeknutseld meubelhout, daar hoor je toch geen echte klank uit?" Die middag stond ze plotseling voor me met Lisa en Emma, die de doorgang blokkeerden. Het laadperron was verlaten, alleen huismeester Huib stond bij het vuurvat verderop, waar hij een paar gebroken pallets en verpakkingskarton in had gegooid. Sophie wees naar mijn kist. "Laat nog eens zien, dat timmerwerkstuk?" Ze griste de viool eruit nog voor ik de kist kon dichtklappen. "Weet je, Lotte," zei ze, en ze hield het instrument voor zich, "dit ding past helemaal niet op een professioneel podium." Ze deed een paar passen richting het vat, alsof ze het gewoon wilde laten zien aan Huib. Huib stond met zijn rug naar ons toe, zijn dikke werkhandschoenen hield hij boven de warmte.
Ik riep: "Sophie, geef terug!" en deed een stap naar voren, maar Lisa duwde me terug tegen de laadklep aan. Sophie liet de viool los, half per ongeluk leek het, alsof ze schrok van haar eigen hand. Het instrument kantelde in de lucht, raakte de rand van het vat en gleed naar binnen. De snaren sprongen los met een scherpe plop. Ik hoorde het ebbenhout van de toets kraken. Huib draaide zich om op het geluid, greep meteen een lange ijzeren pook en probeerde het instrument uit de vlammen te wippen. De hals kwam los, met de krulkop en de vier stemsleutels er nog aan vast, en viel op de natte stoeptegels naast het vat – buiten bereik van het vuur, roetzwart maar heel. De rest, klankkast, toets, het grootste deel van de lak, was al niet meer te redden tegen de tijd dat Huib de branddeken erover gooide. Ik zakte tegen de koude stenen en bleef zitten, met de vioolkist open naast me. De meisjes waren al weg. Huib raapte de hals op met zijn handschoen, bekeek hem even, en legde hem zonder iets te zeggen op de rand van de laadklep, naast mij.
Niemand lette op de nieuwe beveiligingscamera boven de laadklep. Het apparaat was twee weken eerder opgehangen na een paar diefstallen uit de instrumentenopslag, en het registreerde automatisch elke beweging. Ik wist op dat moment niet eens dat hij er hing.
Ik strompelde naar binnen, met de kist onder mijn ene arm en de geblakerde hals onder de andere. In de garderobe trok ik mijn werkschoenen uit en keek naar de klok. Het concert zou gewoon doorgaan. Ik zou niet spelen. Ik zou mijn kluisje leegmaken, de map met bladmuziek inleveren en dan het snelst mogelijke pad naar huis nemen – via stadsbus 3 die halt hield bij het Jaarbeursplein, langs de kraampjes met oliebollen, de kou in mijn nek. Het ergste was het beeld van mijn vader, die de volgende ochtend in de werkplaats zou beseffen dat zijn viool niet meer bestond.
Boven, in de gang naar de kluisjes, pingelde ergens iemand een couplet uit een Bach-partita, en de verwarming tikte tegen de leidingen. Ik duwde mijn sleutel in slot achttien. Het metaal klikte open. Licht van de tl-balken viel naar binnen. In plaats van mijn gymschoenen en de verlepte potloden stond er een donkerblauwe vioolkoffer. Professioneel model, met mijn naam in zilveren letters: "Lotte de Wit". Mijn vingers trilden zo erg dat ik de gespen eerst niet open kreeg. Binnen lag een barnsteenkleurige viool, een nieuwe strijkstok en drie sets snaren, elk apart verpakt in zijdepapier. Een kaartje balanceerde op de klankkast. "Je plek op dit podium heb je verdiend. Laat hem je niet afnemen door iemand die je waarde niet zag."
Ik had het kaartje nog maar half gelezen toen er voetstappen achter me klonken. Directeur Bergsma stond in de deuropening, zijn zilvergrijze haar net zo onberispelijk als altijd, zijn dasje een beetje scheef, alsof hij het twee keer had moeten strikken. Hij wees naar de koffer, maar zijn hand bleef even in de lucht hangen, onzeker, voor hij hem weer liet zakken. "Die is niet van het conservatorium," zei hij. "En ook niet van een donateur." Hij zweeg even te lang. "Ik heb Huib over het vat horen praten bij de receptie. Ik ga de opnames bekijken. Zit hier maar, ik kom terug."
Het duurde bijna een uur voor hij terugkwam, zijn stropdas nu helemaal los. Hij vertelde dat hij Sophie apart had genomen op zijn kantoor, en dat zij uiteindelijk zelf haar vader had gebeld. Meneer Molenaar, een vastgoedman uit het Gooi, was diezelfde middag nog gekomen, met een envelop met een cheque van negenduizend euro en een voorstel om de zaak binnenskamers te houden. "Ik wist even niet wat ik met die envelop moest," zei Bergsma, en hij wreef over zijn nek. "Het is veel geld, en ons instrumentenfonds is leeg sinds de subsidiekorting. Maar geld regelt geen scheve blik in de artiestenfoyer, en geen jaar herstel voor jouw vader." Hij had de cheque die middag niet aangenomen. Over de schorsing van de drie meisjes zou pas later die week een beslissing vallen, zei hij, want dat moest eerst langs de examencommissie – maar voorlopig mochten ze in elk geval niet meespelen die avond.
"Deze viool," zei hij, en hij wees naar de barnsteenkleurige klankkast, "is trouwens niet van mij. Nog niet helemaal uitgelegd, dat kaartje. Kom straks maar naar mijn kantoor, na het concert, dan vertel ik het rustig." Ik schudde mijn hoofd, ik kon niet wachten, en hij zuchtte en ging toch maar op een van de krukjes zitten.
Hij vertelde dat hij ooit ook beursstudent was geweest, aan ditzelfde conservatorium, in de jaren zeventig. Opgegroeid in een arbeidersgezin in Heerenveen, had hij wekelijks met de trein gereisd, sliep hij soms in de spreekkamer van de muziekbibliotheek omdat hij het laatste boemeltje had gemist. Vlak voor een belangrijk concours hadden medestudenten zijn geleende instrument verstopt – een Guadagnini die hij via een stichting in bruikleen had. Tegen de tijd dat hij hem terugvond, waren de audities voorbij. "Ik heb die kans nooit meer gekregen," zei hij. "Ik ben er niet trots op hoe ik daarna jarenlang deed alsof het me niet kon schelen." Hij had jaren geleden zijn laatste waardevolle viool verkocht en van de opbrengst een klein fonds opgericht voor studenten die tegen ernstige financiële tegenslag aanliepen. "Jij bent de eerste voor wie ik het echt gebruik," zei hij. "Ik weet niet of dat me tot een goed mens maakt. Ik had het misschien allang eerder moeten doen."
Die avond betrad ik het podium met de nieuwe viool. Mijn vader zat helemaal achterin, nog in zijn werkkiel omdat hij vanaf de werkplaats rechtstreeks was gekomen, naast Tim die zijn enige nette trui aanhad. De zaal was vol, het balkon hing over van het rood pluche, en het plafond met zijn beschilderde panelen leek dichterbij dan ooit. Ik sloot mijn ogen. De viool klonk vol en diep, maar na een paar maten vergat ik dat het een ander instrument was. Ik speelde voor mijn vader, voor de viool die hij met zijn handen had gemaakt, en voor de hals die nog ergens in de garderobe lag, in een plastic tas van de Albert Heijn, wachtend tot iemand ermee naar huis zou gaan.
Maanden later stond Sophie weer voor me, in de gang bij de kluisjes, met een houten doosje tegen haar borst geklemd. Ze had die middag na schooltijd twee uur bij mijn vader in de werkplaats gestaan, had ik later gehoord, om te leren hoe je oud eikenhout en verbrand esdoornhout moest behandelen zonder het verder te beschadigen. Ze klapte het doosje open. De vier stemsleutels van de oude krulkop lagen erin, schoongeboend van roet, het hout opnieuw geolied tot een diepe amberkleur, de metalen pennetjes gepoetst tot ze glansden. Een van de sleutels had nog een barstje aan de zijkant, niet weggewerkt, gewoon zichtbaar. Ze zei niets, en ik ook niet. Ik nam het doosje aan en voelde het gewicht in mijn handpalmen – niet veel, vier stukjes hout maar, maar mijn vingers sloten er toch omheen alsof het meer was.







