Het bonnetje in het trappenhuis

Ik woon al achttien jaar op de begane grond van een portiekflat aan de Walstraat in Deventer. Mijn keukenraam kijkt uit op de stoep, en vanaf die plek zie ik alles. Op dinsdag ruik je de gebakken vis van de markt op de Brink, op donderdag hoor je de glasbak leeggehaald worden, en elke ochtend om half acht ging de voordeur boven open. Dan kwam mevrouw Van Zuylen naar buiten met Bink, haar vosrode terriër. Ze liep altijd eerst naar de lantaarnpaal voor mijn raam, wachtte tot Bink zijn poot oplichtte, en mompelde iets tegen hem, alsof ze een vergadering hielden.

Bink was geen jong hondje meer. Zijn snuit was grijs, zijn achterpoten stram, maar hij had nog de energie van een pup als hij een duif zag. Mevrouw Van Zuylen hield hem aan een oude leren lijn, en hij trok haar steeds vaker mee richting de IJsselkade. Ik zag hoe ze soms stilstond bij de brievenbus op de hoek, haar hand op haar onderrug. Ze was alleen. Haar man was tien jaar geleden overleden, dat wist ik van de overbuurvrouw. Haar zoon Rob woonde in Amsterdam en belde steeds minder. Op zondagmiddag stond er vroeger altijd een auto voor de deur, maar dat werd zeldzaam.

Toen Sanne boven kwam wonen, veranderde het ritme. Ze was negentien, studeerde verpleegkunde aan het ROC, en kwam uit een dorp bij Zwolle. Ik zag haar de eerste dag met een verhuisdoos die groter was dan zijzelf. Ze had een fiets met kapotte verlichting en een rugzak vol boeken. Binnen een week liep ze elke ochtend met mevrouw Van Zuylen en Bink naar de uiterwaarden. Eerst dacht ik: aardig van dat meisje. Later begreep ik dat het meer was dan aardig. Mevrouw Van Zuylen kon bijna niet meer bukken om de poepzakjes op te rapen, dus deed Sanne dat. Ze bleef ook hangen voor koffie. Ik hoorde hun stemmen door het trappenhuis: de oude vrouw vertelde over vroeger, over dansen in de schouwburg, en Sanne lachte om dingen die ik niet kon verstaan.

Die winter werd mevrouw Van Zuylen snel slechter. Op een dinsdag kwam ze niet naar beneden. Ook woensdag niet. Ik zag Sanne in de ochtend met Bink alleen naar buiten gaan, en 's avonds hoorde ik haar in de hal met een gedempte stem bellen. Ze belde 112. De ambulance kwam met blauwe lichten, maar zonder sirene. Twee broeders droegen mevrouw Van Zuylen de trap af, en Bink stond in de deuropening en jankte. Sanne hield hem vast. Ik stond achter mijn voordeur en deed alsof ik de post uit de bus haalde.

Mevrouw Van Zuylen overleed een week later in het ziekenhuis. Ik las het in de overlijdensadvertentie in De Stentor. Sanne nam Bink in huis; ik hoorde hem 's nachts huilen op de derde verdieping. Ze kwam drie dagen niet naar college, dat zag ik aan haar fiets die onbewogen voor de deur stond.

De zoon kwam voor de uitvaart. Ik herkende hem van een oude foto die mevrouw Van Zuylen eens had laten zien. Hij reed een donkere BMW, droeg een lange jas en liep met zijn telefoon in zijn hand. Hij groette niemand. Na de plechtigheid ging hij de woning binnen. Ik hoorde hem door de brievenbus rommelen en kasten openen. Een uur later kwam hij weer naar buiten, met een plastic tas en een kleine reismand. Bink zat er niet in. In de hal verloor hij iets: een wit papier, dat dwarrelde op de mat. Ik raapte het op toen hij wegliep. Het was een ontvangstbewijs van Dierenopvang De Bult, aan de Ceintuurbaan. Daarop stond: "Aangeboden: Bink, reu, vosrode terriër, leeftijd circa veertien jaar." En onderaan: "Asielbijdrage bij afstand: vijftig euro." Hij had betaald om van de hond af te komen.

Ik wist niet wat ik ermee moest. Ik stopte het bonnetje in mijn jaszak. Die avond zag ik Sanne op de trap zitten, haar gezicht bleek, haar handen om een beker thee. Ze keek naar de deur naast de mijne alsof die elk moment open kon gaan. Ik ging naast haar zitten. "Ik denk dat jij dit moet zien," zei ik, en gaf haar het papier. Ze las het, en haar vingers knepen het kreukelig. Ze zei niets, maar stond op, trok haar jas aan, en verdween.

Ik bleef nog een uur op de trap zitten. Ik hoorde de kat van de buren miauwen, en ergens een wasmachine draaien. Toen hoorde ik de voordeur weer. Sanne kwam binnen, met in haar armen een rood hondje dat ik amper herkende. Bink was mager geworden, zijn ribben tekenden zich af onder zijn vacht, maar zijn staart ging heen en weer als een ruitenwisser. Sanne zette hem op de grond. Hij snuffelde aan de derde tree, waar mevrouw Van Zuylen altijd even pauzeerde, en kwispelde. Sanne huilde niet. Ze had een bonnetje in haar hand, een ander bonnetje. Ik zag het getal: 85 euro, adoptiebijdrage. Ze had al haar fooienpot leeggehaald, dat wist ik omdat ik haar eens met een pot vol muntstukken bij de supermarkt had gezien.

Een week later stond de BMW er weer. Rob was teruggekomen, misschien voor de notaris of om de laatste spullen op te halen. Hij stapte uit en liep naar de voordeur. Precies op dat moment kwam Sanne de hoek om met Bink aan de lijn. Bink bleef staan, zijn oren naar voren, zijn staart stil. Rob keek naar de hond, toen naar Sanne. Hij herkende Bink, dat zag ik aan de manier waarop zijn schouders even omhoog gingen. Hij zei niets. Sanne zei ook niets. Ze liep langs hem heen, Bink aan haar linkerzijde, en trok de deur open. Bink liep mee, zonder nog één keer om te kijken. Rob bleef op de stoep staan, zijn autosleutel in zijn hand. Toen stapte hij in en reed weg. Ik heb hem nooit meer in de straat gezien.

Twee maanden later kwam de nieuwe bewoonster van de bovenwoning naar beneden met een envelop. Ze had hem gevonden bij het vervangen van de plint in de slaapkamer, zei ze. Er stond in hanenpoten "Voor Sanne" op geschreven. Ik heb de envelop aan Sanne gegeven. Ze maakte hem open op de gang, terwijl Bink aan haar voeten lag. Er zat een briefje in, en twee briefjes van vijftig euro. Ik stond erbij en zag hoe haar ogen over de woorden gingen. Ze vouwde het briefje dicht en stopte het in haar zak. Toen aaide ze Bink over zijn kop en zei: "Kom, we gaan naar de IJsselkade."

Ik heb het briefje later nooit teruggevraagd. Maar ik weet nog wat er op stond, want ik heb over haar schouder meegelezen. Mevrouw Van Zuylen schreef dat ze wist dat haar zoon de hond zou wegdoen. En dat het geld in het trommeltje van de thee zat, voor degene die Bink een thuis gaf. Het trommeltje had al die tijd op de vensterbank gestaan, achter de geraniums. Sanne had het nooit opengemaakt, tot die middag.

Rate article
Sixty & Me
Het bonnetje in het trappenhuis